Het Achtste Manifest Gravensteengroep

dinsdag 30 augustus 2011

Vorige week : vele commentaren over het 8ste Manifest van de Gravensteengroep.

Ik neem hieronder de integrale tekst over :





8ste manifest:
Analyse van de Formateursnota van Elio di Rupo




Deel 1: achtergronden bij de analyse van de nota

Over de Gravensteengroep

In het voorjaar van 2008 werd in Gent de Gravensteengroep opgericht. Het was de bedoeling om met een aantal mensen die elkaar via via kenden, samen na te denken over de impasse waarin de communautaire problematiek verzeild geraakt was. Een hoofdbekommernis was, ertoe bij te dragen dat een aantal rechtmatige Vlaamse eisen niet uitsluitend in de rechtse of extreemrechtse hoek gesitueerd werden, zoals bij de meerderheid van de Franstaligen, en stilaan ook bij een aantal Vlamingen het geval was.

De aanwezigen bevestigden hun gehechtheid aan de democratie en aan de mensenrechten. Zij stelden de waarden van vrijheid, gelijkheid, solidariteit en wederzijds respect centraal en meer bepaald wezen ze alle vormen van racisme en xenofobie af. Op het sociaal-economische vlak namen ze afstand van het radicale neoliberalisme (type Von Hayek of Ayn Rand), ten voordele van een zinvol evenwicht tussen vrij initiatief, maatschappelijke controle en een actieve en activerende solidariteit met degenen die er behoefte aan hebben. Aan deze basisstellingen zijn de leden van de groep trouw gebleven.

Tot op heden vormt de Gravensteen groep een feitelijke vereniging, zonder voorzitter en zonder vaste woordvoerders. De manifesten kwamen tot stand na voorstellen van sneuvelteksten van de hand van de leden, waarover uiteindelijk een consensus werd bereikt. Hoewel velen onder hen zich politiek als 'links' beschouwen, zijn er anderen die zich iets meer in het 'centrum' situeren. Niemand hoeft zich daarover binnen de groep uit te spreken. Wel is men het erover eens dat geen actieve mandatarissen van een partij tot de werkende leden kunnen behoren. De standpunten worden met geen enkele politieke partij besproken of afgetoetst.

Het is van belang dit op te merken omdat momenteel de tendens bestaat om sommige Vlaamse eisen maar meteen aan de NVA of zelfs aan Bart De Wever toe te schrijven, hoewel de meeste ervan reeds vóór diens geboorte door mensen uit alle traditionele Vlaamse partijen werden verdedigd. De opinies van de Gravensteengroep over de uiteindelijke toekomst van Vlaanderen en Brussel zijn nog niet ten volle uitgewerkt. In strijd met wat sommigen van het begin af aan beweerden, is de splitsing van België voor de Gravensteengroep geen doel op zich. Tot driemaal toe werd in het eerste manifest herhaald: "met de Franstaligen als het kan, zonder hen als het moet". De bal ligt dus duidelijk in het andere kamp.
Vlamingen in het algemeen hebben in hun intermenselijke contacten omzeggens nooit blijk gegeven van vijandschap of zelfs negatieve houdingen tegenover Franstaligen. De meeste Vlamingen met een diploma secundair onderwijs, in het bijzonder zelfs degenen die zich 'flamingant' noemden, waren er juist trots op het Frans (zowel gesproken als geschreven) vlot te beheersen. Voor alle Vlamingen is het Frans in het onderwijs nog altijd de verplichte tweede taal. Omgekeerd is in Wallonië het Nederlands in het onderwijs nooit verplicht geweest.

Toch stellen sommigen het nu voor alsof de huidige problemen te maken hebben met haatgevoelens tussen Vlamingen en Walen en zelfs met een bekrompen, op zichzelf betrokken, mentaliteit bij de Vlamingen. Iedereen weet nochtans dat op het vlak van kennis van vreemde talen de Vlamingen doorgaans duidelijk voorliggen op de Franstalige Belgen. Aan voorbeelden van brede, internationaal-gerichte culturele belangstelling én sociale bewogenheid ontbreekt het in Vlaanderen zeker niet.
Deze traditie van vreedzaamheid en openheid wordt thans in diverse forums en andere internetmedia - en zelfs in de pers - in gevaar gebracht door sommigen die beledigingen en uitingen van haat rondstrooien. De Gravensteengroep veroordeelt nadrukkelijk het gebruik van beledigende termen of lasterlijke uitspraken, van welke kant die ook komen. In de analyse die we hier voorleggen, is kritiek overigens nooit persoonlijk bedoeld.

Billijke compromissen


Wij beseffen natuurlijk dat onderhandelingen tot een compromis moeten leiden. In wat volgt proberen wij een objectieve analyse te bieden van de Nota Di Rupo, vanuit de vraag in welke mate hier echt sprake kan zijn van een 'compromis'.
Laten we daarom eerst de vraag stellen wat een billijk compromis is. Wanneer een persoon of bedrijf A aan B een schade berokkent van 1 miljoen euro en men daarna akkoord gaat dat A een half miljoen terugbetaalt, dan is dat geen eerbaar compromis. Wanneer in Mexico de staat een gebied van 10.000 km2 van de inheemse bevolking inpalmt, en zich uiteindelijk met 5.000 km2 tevreden stelt, dan is dat geen eerbaar compromis. In beide gevallen kunnen de partijen zich wel neerleggen bij het akkoord, in de hoop hiermee een groter onheil te vermijden (denk bijvoorbeeld aan München, 30/9/1938), maar rechtvaardig is dat niet. Opdat een fiftyfifty verdeling ook nog eens billijk zou zijn, moet men aan de gerechtvaardigde belangen van beide partijen in min of meer gelijke mate beantwoorden.

We zullen aantonen dat de formateursnota Di Rupo niet alleen aan die billijkheidsvoorwaarde niet voldoet, maar dat ze zelfs de fiftyfifty op verre na niet bereikt.

In deze analyse komen vooral de problemen inzake Brussel-Halle-Vilvoorde (BHV) en Brussel aan bod, tegen de algemene achtergrond van de taal- en institutionele problematiek. Om de sociaal-economische voorstellen in de nota even nauwgezet te analyseren en te becijferen beschikt de Gravensteengroep nog niet over voldoende onderzoeksgegevens.

Het ontstellendste bij de eerste lectuur van deze nota bestaat erin dat de vertegenwoordigers van de betrokken partijen er na 430 dagen onderhandelen blijkbaar niet in geslaagd zijn elkaar duidelijk te maken waarover ze het ten gronde oneens zijn en hoe een toenadering eventueel toch mogelijk zou zijn. We weten niet wat de Franstaligen aan de Vlamingen gezegd hebben, maar uit de Nota Di Rupo volgt zonder enige twijfel dat onze onderhandelaars hem niet hebben kunnen uitleggen waar de grondslagen liggen van de Vlaamse grieven en eisen.

Wat voorafging

Wie niet uit de geschiedenis wil leren, is gedoemd die te herhalen. Daarom is het nuttig nog eens de geschiedenis van de communautaire en taalstrijd in België in herinnering te brengen. In de eerste helft van de 20ste eeuw waren de Vlaamse eisen vooral gericht op het ongedaan maken van het onrecht waaronder de meerderheid van de Vlaamse bevolking te lijden had, door toedoen van de Franstalige Belgische staatsstructuur en door de Franstalige burgerij en adel in Vlaanderen.
Een beslissende doorbraak in dat opzicht werd gerealiseerd door de veralgemening van het Nederlands als onderwijstaal in het secundair en hoger onderwijs, vanaf 1930. Dat deze hervorming tot stand kwam, was echter geen 'billijk compromis' in de hierboven beschreven betekenis. Het was een zaak van elementaire sociale rechtvaardigheid. Nu pas konden mensen uit alle lagen van de bevolking onderwijs krijgen in hun eigen taal, en kon een sociale mobiliteit tot stand komen. Dergelijke 'doorbraken' op Vlaams gebied kwamen er nooit vanzelf: gedurende lange tijd stuitten ze op weerstand vanwege het hele Franstalige Waals-Brusselse establishment. Dat gegeven lag, en ligt ten dele nog aan de grondslag van een zekere anti-Belgische rancune, die, spijtig genoeg, tijdens de Tweede Wereldoorlog tot ontsporingen heeft geleid. Daarnaast mag er hier aan herinnerd worden dat Waalse politieke leiders - hoe schoorvoetend ook - eerder dan Franstalig-Brusselse bereid waren het Nederlands in Vlaanderen een plaats te gunnen: vooral omdat zij toen in de afbakening van eentalige gebieden de enige manier zagen om te vermijden dat (ten gevolge van massale immigratie) het 'Vlaams' een voet aan de grond in Wallonië zou krijgen.

Gedurende vele decennia was het een traditie dat in de meeste nationale instellingen en parastatalen de belangrijkste communicatie doorgaans in het Frans verliep. Vanaf een zeker niveau kon het systeem slechts werken doordat Vlamingen Frans spraken. Franstaligen communiceerden uiterst zelden in het Nederlands. Dat was niet alleen vernederend (in een tweede taal is men bijna altijd de zwakkere); het was ook onrecht. Die situatie is verbeterd, maar ten dele bestaat ze nog. Maatregelen die tegen deze ongelijkheid ingaan zijn geen compromissen. Zij werken immers onduldbare wantoestanden weg. Aan deze Vlaamse verzuchtingen is via taalwetgeving tegemoet gekomen.

In verband met de hierna besproken knelpunten is er echter van verbetering geen sprake, vaak integendeel. Deze vormen dan ook het belangrijkste ingrediënt van het huidige Vlaamse 'ongenoegen', om een gematigde term te gebruiken. Deze thema's vormen de kern van het communautaire probleem.

Tijdens de voorbije 100 jaar zijn bijna dertig gemeenten die oorspronkelijk in meerderheid Nederlandstalig waren, in meerderheid Franstalig geworden (samen goed voor meer dan een miljoen inwoners). Dat vloeide voort uit twee factoren. Vooreerst is het Frans, vergeleken met het Nederlands, een 'dominante' taal (zoals het Engels dominant is tegenover het Frans); maar daarnaast vormden in België de Franstaligen een (politiek en economisch) dominante groep, die zijn taal opdrong aan de sociaal-economisch zwakkeren. Men moet niet de volledige werken van Marx bestudeerd hebben, om in te zien dat deze dominantie een karakteristiek voorbeeld was van sociaal onrecht. Een arbeider, een bediende, een ambachtsman, een knecht, werd tweemaal vernederd: een keer als ondergeschikte, en een keer als Vlaming. Als vrouw werd een meid zelfs driemaal vernederd. Het blijft een schandvlek op het Belgische socialisme dat het (in tegenstelling tot het daensisme) daarvoor geen oog heeft gehad. Vooral de Franstalige socialisten gaven op dit punt eerder de voorkeur aan het taalnationalisme dan aan het ware socialisme.

Wat nu gaande is

Een basisprobleem van vandaag bestaat erin dat dit type van verfransing, gebaseerd op deze dubbele dominantie, zich in Vlaams Brabant onverminderd verder zet. Zonder kordate maatregelen bestaat de kans dat over twintig jaar in nog eens een tiental gemeenten de taalmeerderheid eveneens zal omgeslagen zijn. Op het individueel menselijke vlak zullen opnieuw de zwakkeren zich aan de sterkeren moeten aanpassen. Nogal wat sociale woonwijken in de Rand lopen vol met Franstaligen die hoegenaamd niet tot hogere sociale categorieën behoren dan de 'zwakkere' Vlamingen, maar die wél vanuit de hoofdstad hun Franstalige pretentie en onwil tot aanpassing hebben meegebracht. Zelfs als nu ook een minder gegoede klasse van Franstaligen naar Vlaanderen uitwijkt, vormt zij slechts een probleem omdat zij het incivieke gedrag van de toplaag nabootst. Het gaat dus om de arrogantie van Franstalige inwijkelingen die aanpassing aan een Nederlandstalige omgeving gewoon aberrant achten. Daartegenover staat de Vlaamse bevolking van de Rand inderdaad zwak.

Op het vlak van het territorium is dat een expansie van bewoners van één gebiedsdeel van België ten nadele van het gebied van landgenoten, met wie ze volgens de patriottische mythologie geacht worden in vrede, samenwerking en solidariteit gemeenschap te vormen.

Overal ter wereld waar mensen zich in een ander taalgebied vestigden, hebben ze de taal ervan overgenomen. Zowel in Noord- als in Zuid-Amerika is dat op massale schaal gebeurd. Maar ook Russen, Polen, Roemenen, Italianen, Algerijnen en migranten uit Zwart Afrika, hebben dit in Frankrijk probleemloos gedaan. De Italianen en Polen in Vlaanderen en de Vlamingen en Italianen in Wallonië waren reeds vanaf de tweede generatie geïntegreerd.

De Brusselse bourgeoisie echter heeft eerst de 19 gemeenten verfranst en heeft dan, na de oorlog, dank zij haar politiek en economisch overwicht, 'de Zes' ingepalmd. En het volstond niet dat men deze ingeweken Franstaligen persoonlijke 'faciliteiten' verleende: vrij snel wilden deze mensen - tegen de Grondwet in - ook de grenzen van het gebied zelf verplaatsen. Om een uitspraak van Clausewitz te parafraseren, komt zoiets neer op de voortzetting van een expansie-oorlog met andere middelen. Geen enkele natie ter wereld zou zoiets dulden.

Het wettelijk vastleggen van de taalgrens was bedoeld om aan dit expansionistisch taalnationalisme een einde te stellen. Al te laat heeft men immers aan het woord van Lacordaire gedacht - de meest kernachtige uitdrukking van elk authentiek socialistisch mensbeeld: "Entre le fort et le faible, entre le riche et le pauvre, entre le maître et le serviteur, c'est la liberté qui opprime et la loi qui affranchit."
Maar ook deze wettelijke,in de Grondwet ingeschreven garantie heeft de Franstalige bourgeoisie niet tot het besef gebracht van wat burgerschap betekent. Ze vinden wel dat niet-Belgische 'allochtonen' zich moeten aanpassen aan de taal van de omgeving waar ze terecht komen; maar dat zoiets ook voor hen zou gelden, ontgaat hen helemaal. Uitgerekend om deze vastlegging van de taalgrens te bekomen, hadden de Vlamingen het bestaan van de faciliteiten in 'de Zes' aanvaard. Met deze toegeving zou in principe het taalgrensprobleem zijn opgelost. De meeste Franstaligen, en zelfs sommige highbrow Vlamingen, vinden nu dat het de Vlamingen zijn die telkens weer met nieuwe eisen voor de dag komen.

Brussel-Halle-Vilvoorde

Het basisprobleem inzake BHV bestaat erin, dat de wettelijke en grondwettelijke bescherming van de taalgrens in de feite onverminderd ontkracht wordt. Veel Franstaligen in 'Halle-Vilvoorde min de Zes' gedragen zich precies zoals hun voorgangers in de huidige faciliteitengemeenten.

Wat hebben de Vlamingen aan een taalwetgeving die in de praktijk geen effect sorteert? In de feiten zelf verliezen ze meer en meer terrein. Dit verlies is geen wet van Meden en Perzen: het is enkel het gevolg van incivisme, namelijk van het niet-eerbiedigen van de Grondwet en de taalwetten door de ingeweken Franstaligen. Dit incivieke gedrag staat in schrille tegenstelling tot de bereidheid die Vlamingen altijd al aan de dag hebben gelegd wanneer zij zich in Wallonië gingen of gaan vestigen.

De eis tot splitsing van BHV gaat dus geenszins om een futiel symbool. De bedoeling is aan deze feitelijke gebiedsuitbreiding van de francofonie, door een nieuwe wettelijke regeling een halt toe te roepen. Het gaat dus niet om expansiedrang: het komt erop aan de dijk te verhogen omdat het overstromingsgevaar groter geworden is.

Bij het beoordelen van de waarde van de voorstellen inzake BHV, geldt dus in principe één basisregel: geen schijntoegevingen van de kant van de Franstaligen. Een 'formele' splitsing die inhoudelijk geen garantie biedt op het behoud van de integriteit en de feitelijke eentaligheid van het grondgebied, heeft geen enkele zin. Daarom komen de wetsvoorstellen van Di Rupo neer op window dressing. Met alle compensaties voor de Franstaligen in BHV komt de splitsing van het kiesarrondissement BHV dus neer op een schijnsplitsing, een overgecompenseerde schijntoegeving van de Franstaligen.

Het is onnoemelijk jammer dat Waalse (en sommige Vlaamse) socialisten iets wat ze bij Italiaanse of Vlaamse arbeiders normaal vonden, niet van andere burgers in Kraainem of Linkebeek ('de Zes') of zelfs Lennik of Vilvoorde (HV min 'de Zes') willen eisen. Nochtans zal geen enkele Waalse werknemer één euro minder verdienen, als de Brusselse francofonie zich aan het wettelijke taalgebied zouden aanpassen.Moet België nu echt gesplitst worden door de schuld van dit expansionistisch taalnationalisme, gehuld in de schaapsvacht van de mensenrechten?

Stad en Hoofdstedelijk Gewest Brussel

Volgens de Grondwet zijn er drie eentaligegebieden (Vlaanderen, Wallonië, en de Duitstalige Gemeenschap) en één tweetalig gebied: Brussel-Hoofdstad. De tweetaligheid bestaat erin dat, in de regel, wie in openbare dienst werkt, tweetalig moeten zijn. Deze tweetaligheid wordt niet alleen vereist omdat er een percentage Vlamingen in Brussel woont, en een ander aanzienlijk percentage er komt werken, maar ook omdat Brussel de hoofdstad is van een land dat grotendeels uit twee taalgebieden bestaat.

Deze wettelijke regeling werd nooit ten volle toegepast, maar heeft toch tenminste tot gevolg gehad dat, vergeleken bij 25 jaar geleden, de feitelijke tweetaligheid is toegenomen. Het spreekt echter vanzelf dat iedere versoepeling van die wettelijke regeling automatisch de motivatie om als tweede taal Nederlands te leren, zal aantasten. Een wijziging van het taalstatuut van Brussel in de richting van tweetaligheid van de dienst, en dus eentaligheid van de ambtenaren,vormt dus een aanval op een centrale doelstelling van allen die de tweetaligheid van de hoofdstad van België als een bron - dé bron ? - van pacificatie gezien hebben.

De regio Brussel-hoofdstad bestaat uit 19 gemeenten waarvan de grenzen volstrekt dysfunctioneel zijn geworden. Ze vormen evenzoveel obstakels voor een samenhangend beleid dat zich zou moeten richten op de noden van de bevolking. Zoals het nu is kan het Brussels Gewest de beschikbare middelen niet op een transparante manier beheren.

De Luikse hoogleraar François Perin stelde het al lang geleden (niet zonder enige ironie) als een belangrijke ontdekking voor: "Bruxelles est une ville". Hij bedoelde uiteraard wat wij nu 'Brussel-hoofdstad' noemen, namelijk de 19 gemeenten.
Wie zich afvraagt hoe men zo'n grote stad bestuurlijk moet inrichten, kan nu reeds beschikken over uitvoerige studies met betrekking tot andere grote steden in Europa. Een suggestie ten behoeve van onze Franstalige vrienden: een eenvoudige oplossing zou er in bestaan de Franse wetgeving inzake Parijs, Lyon en Marseille over te nemen. Daar bestaan wel arrondissementen, maar de taken daarvan zijn beperkt. Voor de financiële toestand van Brussel-hoofdstad zou het invoeren van één enkel gemeenschappelijk belastingsysteem trouwens niet alleen openheid, vereenvoudiging en besparing tot gevolg hebben, maar tevens een echte solidariteit tussen de rijkere en de armere wijken tot stand brengen. Het lijkt logisch en vanzelfsprekend dat vooral de socialistische en groene partijen zo'n reorganisatie zouden toejuichen; maar ook de meer rechtse partijen moeten het belang van een dergelijke organisatievorm inzien.

Op zich hebben deze vaststellingen, die essentieel te maken hebben met moderne urbanisatie en efficiëntie, niets met de communautaire problemen te maken, maar een eis tot supplementaire financiële steun vanuit Vlaanderen kan wel afhankelijk gemaakt worden van de wil en de aanzet om deze herstructureringen door te voeren. Anders bestaat de kans dat ze tot de Griekse kalenden worden uitgesteld.

Transfers

Tenslotte is er de vooral economisch bepaalde Waals-Vlaamse problematiek. Onder meer ten gevolge van de teleurgang van de Waalse steenkool- en staalindustrie heeft Wallonië nu een economische achterstand op Vlaanderen. Dat leidt op diverse gebieden tot transfers van aanzienlijke bedragen van Noord naar Zuid. Theoretisch zijn deze transfers gebaseerd op een legitieme solidariteit. Het is echter niet normaal dat in de praktijk de gevolgen van een bepaalde industriële achteruitgang onbeperkt zouden blijven duren. In de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen werd de omschakeling vanuit een zoveel omvangrijker kolen-en-staalsector rationeler, sneller en met meer succes tot stand gebracht.

In de formateursnota van Di Rupo wordt andermaal op vrij korte tijd een groot aantal banen in het vooruitzicht gesteld. Sommige politici zijn blijkbaar van mening dat een sociaal-economisch probleem als werkgelegenheid door beleidsbeslissingen beïnvloedbaar is. Omgekeerd volgt daar natuurlijk ook uit dat het uitblijven van vooruitgang op dat gebied, mede het gevolg is van het voordien gevolgde beleid. De achterstand van Wallonië en de blijvende transfers in diezelfde richting zijn dus geen fataliteit. Vlaanderen heeft inderdaad het voordeel van de havens, maar Wallonië heeft dan weer andere troeven, zoals veel goedkopere industrieterreinen, een vlottere uitbreiding van de luchtvaart zoals in Charleroi en Bierset, goedkopere mogelijkheden voor plaatsing van windturbines.

Kortom, de vraag of aanzienlijke transfers decennia lang in dezelfde richting moeten gaan, kan men niet beperken tot de problematiek van solidariteit alleen. Het in de diverse regio's gevoerde beleid speelt een essentiële rol. Derhalve mag men ervan uitgaan dat, wanneer men zou voorstellen de transfers binnen enkele decennia tot ongeveer een tiende van het huidige niveau te reduceren, niet de solidariteit in het geding is, maar eerder de vraag naar behoorlijk bestuur. (Nadien zouden de transfers ook principieel omkeerbaar moeten zijn). Ook zou een geleidelijke, procentuele vermindering vanaf een bepaalde periode een zinvol project kunnen zijn. Het inkomen van de individuen hoeft men daarbij niet eens af te bouwen: een terugstorting van een deel van de transfers kan door de regio als geheel gebeuren. Overigens zou men wegens de huidige crisis de periodes kunnen aanpassen. Tussen bevriende regio's zijn billijke compromissen hierover heel goed mogelijk.

Wel moet men het volgende beseffen. Een project tot staatshervorming dat geen melding maakt van de intentie tot het afbouwen van systematische eenrichtings-transfers, laat een reëel knelpunt buiten beschouwing. Ook een progressief responsabiliseren van de budgetten moet ter sprake kunnen komen, meer bepaald door een eigen fiscaliteit zonder federale bevoogding.

Tenslotte wil de Gravensteengroep er op wijzen dat het vanwege de Franstaligen bijzonder onverstandig is de sociale solidariteit telkens opnieuw in het gedrang te brengen door een manifest gebrek aan politieke solidariteit (zoals dat bijvoorbeeld tot uiting komt in de onwil om de grenzen van de Vlaamse deelstaat te respecteren).

Identiteit en publieke opinie

Bepaalde aspecten van de communautaire problematiek in België worden bemoeilijkt door evoluties inzake natievorming en identiteit, en door de mythes daaromtrent. In de media wordt wàt graag ingehakt op allerlei 'Vlaamse mythes'; maar men is er blijkbaar als de dood voor, ook Belgische mythes kritisch te bekijken. Toch dient de vraag gesteld: Bestaat er nog een Belgische natie?

Volgens de - zeer overtuigende - analyse van Benedict Anderson (Imagined Communities, 1983), wordt het natiebesef in een belangrijke mate bepaald door de aanwezigheid van gemeenschappelijke communicatiemiddelen. In de eerste plaats speelt de taal daarin een rol, maar daarnaast ook kranten, tijdschriften, radio- en TV, en momenteel ook het internet. In België zijn al deze media grotendeels exclusief ofwel Vlaams, ofwel Belgisch-francofoon. Tussen deze beide culturele groepen is er vrijwel geen overlapping meer. Niet alleen verandert daardoor onvermijdelijk het 'natie-gevoel', maar vooral zijn er twee openbare opinies ontstaan die bovendien geregeld in hun duidelijk verschillend stemgedrag tot uiting komen. Dat heeft als belangrijk gevolg dat de kans op ideologisch wisselende meerderheden - bijvoorbeeld een 'alternance' van rechts en links - op het federale vlak nagenoeg onbestaande is.
Een grotere politieke autonomie voor de deelstaten zou het welslagen of mislukken van een specifiek beleid, en dus vanzelf ook goed- of afkeuring ervan, en zodoende ook de beurtrollen in de regering, duidelijker laten spelen. Een grotere autonomie, met echte responsabilisering (via de fiscaliteit) is dus gewenst voor elke deelregering. Deze autonomie is in het belang van iedereen, zolang men met wederzijdse solidariteit, afgestemd op de werkelijke en objectiveerbare noden rekening houdt.
Elke zinvolle bespreking van de communautaire problemen moet dus rekening houden met deze afwezigheid van een gemeenschappelijke publieke opinie.

Deel 2: BHV à la Di Rupo: woekerprijs voor schijnsplitsing.

23 nadelen voor Vlaanderen, één nadeel voor Franstalig België

Het Belgische communautaire geschil heeft nood aan een neutrale benadering, gebaseerd op evenwicht en wederkerigheid, die de noodzakelijke basis vormen voor echte onderhandelingen. Volgens de Gravensteengroep moet dit universeel principe in de Belgische context vertaald worden in een toegepaste stelregel, die luidt dat de Vlamingen geen enkele eis stellen met betrekking tot Vlamingen die zich in Wallonië gevestigd hebben; en dat omgekeerd de Franstaligen geen enkele eis stellen met betrekking tot Franstaligen die zich in Vlaanderen hebben gevestigd. Alleen deze evenwichts-stelregel garandeert dat beide partijen ooit nog tot een eerbaar compromis komen.

De formateursnota van Elio di Rupo houdt met dit evenwichtsprincipe helemaal geen rekening. In deze tekst brengen we een detailanalyse van de nota wat betreft Brussel-Halle-Vilvoorde en de taalwetgeving in Brussel zelf. Met één sterretje (*)hebben we de toegevingen van of ten nadele van de Vlamingen aangeduid; twee sterretjes (**) betekent: voorstellen ten nadele van de Franstaligen, en drie sterretjes (***) voorstellen ten voordele van de Franstaligen. We gaan ervan uit dat een "evenwichtig" compromis weerspiegeld zal worden in een evenwicht van voor- en nadelen voor beide partijen. Hoe meer inwisseling of inruil, hoe eerbaarder het compromis.

De Zes (Wemmel, Kraainem, Wezembeek-Oppem, Sint-Genesius-Rode, Linkebeek, en Drogenbos)

In de nota vormen deze faciliteitengemeenten een nieuwsoortig kieskanton. De keuze voor Sint-Genesius-Rode als hoofdplaats lijkt een voorafname op de fameuze corridor (*) van Brussel naar Wallonië waarmee de Franstaligen een geografisch aaneengesloten Wallo-Brux (*) willen creëren. Rode moet dan als zo'n corridor dienst doen. Het nieuwe kieskanton dreigt dan ook op andere bestuursniveaus een eigen bestaan (*) te gaan leiden - met voorspelbare gevolgen bij een mogelijke splitsing van België (zie hieronder).

In de faciliteitengemeenten kunnen de kiezers stemmen zowel voor de gemeente waar ze wonen als voor Brussel, waar ze niet wonen (*). Wat betreft hun contacten met de plaatselijke administratie hoeven ze slechts om de zes jaar hun keuze voor het Frans kenbaar te maken; die keuze is dan nog eens automatisch hernieuwbaar (*). Om dit administratief te kunnen beheren zal men lijsten van Franstaligen moeten opstellen, wat in feite zal neerkomen op een verkapte talentelling (*) en zelfs op de toekenning van een subnationaliteit (ontzegd aan de Vlamingen in Brussel). Daarmee wordt in elk geval de ministeriële omzendbrief van Leo Peeters afgeschaft, en tegelijk ook de voogdij van Vlaanderen uitgehold. Niets noopt deze Belgische Franstaligen er nog toe zich te integreren in het landsdeel waar ze zijn komen wonen (iets wat van migranten afkomstig uit het buitenland wel degelijk wordt gevraagd).

De gerechtelijke behandeling van mogelijke betwistingen (nog altijd volgens de formateursnota van Di Rupo) gaat in dezelfde richting. Zo mogen de inwoners van de Zes voor Franstalige rechtbanken kiezen, maar bij betwisting beslist een tweetalige kamer van Cassatie. Zo'n beslissing wordt dus onttrokken aan het Vlaams gezag (*). Hetzelfde doet zich voor bij administratieve betwistingen, waar men verhaal kan halen bij het (tweetalige) Grondwettelijk Hof (*). Ook de uiteindelijke beslissing aangaande de benoeming van burgemeesters die de taalwet niet naleven wordt aan het Vlaamse gezag onttrokken (*), ten voordele van ditzelfde Grondwettelijk Hof.

Tegenover deze handelwijze staan theoretische en praktische bezwaren. Vooreerst impliceren deze maatregelen een intentieproces tegenover rechtbanken die uitsluitend uit Vlamingen bestaan. Dat vormt een bedenkelijk precedent in verband met het vermoeden van onpartijdigheid van Vlaamse rechtbanken (*). Vervolgens creëert het afwentelen van essentieel politieke kwesties op rechtbanken (bijvoorbeeld in verband met de administratie en de burgemeesters) meer problemen dan het oplost. Wat bijvoorbeeld indien de tweetalige kamers niet tot een akkoord komen? Tast dit de betrouwbaarheid van de justitie niet aan? En als men het vermoeden van onpartijdigheid toch negeert, moet het Grondwettelijk Hof dan niet met 'bijzondere meerderheden beslissen? En wat als er ook dan geen oplossing komt? Wordt Vlaanderen dan telkens buiten spel gezet? Bestaat er een equivalent voor zulke betwistingen buiten Vlaanderen (*)?

Plan B

Kortom, dit kanton krijgt een ander statuut dan de andere Vlaamse kies- en bestuursomschrijvingen (*). Het is duidelijk dat hier de gedachte aan het 'plan B' een rol speelt. In tegenstelling tot de meeste Vlaamse zijn veel Franstalige politici van mening dat een opdeling van het land heel waarschijnlijk is (de permanente minorisering van de Vlaamse bevolking is namelijk niet houdbaar). Vandaar dat ze al een tijd bezig zijn met het 'plan B'. Het losweken van de Zes uit Vlaanderen moet ook in dit kader worden gezien. Bij een eventuele opdeling van België zal men normaal voor het vastleggen van de nieuwe grenzen een beroep doen op het "uti possidetis" principe: de binnengrenzen van de regio's of deelstaten worden in geval van scheiding ook de nieuwe landsgrenzen. Bij internationale arbitrage zou dan een referendum voor de Zes als geheel worden voorgesteld. De Franstaligen verwachten dat deze gemeenten dan voor Brussel zouden kiezen (*). Daarbij wordt de nieuwe regeling in de Grondwet ingeschreven ('vergrendeld'). Ze kan dus bezwaarlijk nog van latere akkoorden deel uitmaken (*).

Samenvattend: deze regeling wat betreft de faciliteitengemeenten bevat tenminste veertien voorstellen die als Vlaamse toegevingen of nadelen kunnen gelden. Er is geen enkel Vlaams voordeel bij. De Franstaligen van de Zes lijden op taalgebied dan weer geen enkel nadeel: op alle andere gebieden genieten ze trouwens van het voordeel bij Vlaanderen te mogen horen (***).

Halle-Vilvoorde, zonder Brussel en zonder de Zes

Is de verhouding tussen voor- en nadelen voor beide partijen dan gunstiger in Halle-Vilvoorde zonder de Zes? Valt de splitsing van BHV daar dan wel gunstiger uit voor de Vlamingen, die hier tenslotte vragende partij waren? Wel, aan deze ene verzuchting van de Vlamingen is inderdaad voldaan: de Franstaligen kunnen niet meer rechtstreeks kiezen voor Brusselse Franstalige lijsten (**) (maar uiteraard nog wel voor Franstalige lijsten die in Vlaanderen wensen op te komen, zoals de Union Francofone). Een zeer eigenaardige splitsing van het gerechtelijke BHV doet deze regeling echter teniet. De parketten worden namelijk verticaal gesplitst, de rechtbanken horizontaal. Dat wil zeggen dat heel veel magistraten niet meer tweetalig hoeven te zijn (*** en *). Voor het overige zijn de effecten dezelfde als bij de Zes: de burgers van HV kunnen kiezen voor Franstalige rechtbanken (***); bij betwisting beslist de dubbele Kamer van Cassatie (***) en wordt de zaak dus aan de Vlaamse bevoegdheid onttrokken (*); en ook hier bestaat het risico dat bij toepassing van plan B, het Vlaamse Halle-Vilvoorde niet meer als "uti possidetis" wordt beschouwd (*). Deze voorstellen bevatten dus één punt dat nadelig is voor de Franstaligen (**), drie punten die voordelig zijn voor de Franstaligen (***) en drie punten die nadelig zijn voor de Vlamingen (*).

Oplopende kosten voor de splitsing van BHV: communautaire wetgeving in Brussel

1. Di Rupo wil blijkbaar de tweetaligheid van de ambtenaren vervangen door de tweetaligheid van de diensten. Dat betekent dat de Nols-loketten van Schaarbeek, die zelfs door Franstaligen als fanatisme werden beschouwd, nu algemene regel kunnen worden. Bovendien verdwijnt eens te meer een sterke motivering om tweetalig te worden. Dit komt neer op het prijsgeven van één van de belangrijkste realisaties van de Vlaamse Beweging (*).

2. Het verbod op tweetalige kieslijsten te Brussel wordt afgeschaft. Dat betekent dat bijvoorbeeld Maingain zal kunnen bepalen welke 'Vlamingen' op een verkiesbare plaats op zijn lijst komen en dus de wettelijk noodzakelijke Vlaamse verkozenen kunnen leveren (*).

3. Het beheer over de op- en afritten van de Ring (op Vlaams grondgebied) wordt gedeeld door de drie regio's, wat een inbreuk vormt op het territorialiteitsbeginsel en dus op de integriteit van het Vlaams Gewest (*).

4. De oprichting van een 'grootstedelijke gemeenschap', waartoe ook gemeenten kunnen toetreden, is een verdere aantasting van dit territorialiteitsbeginsel (*).

5. Zonder enige garantie op controle en zonder enige voorwaarde betreffende de afbouw van de 19 gemeenten wordt aan het Brussels gewest 461 miljoen EUR per jaar toegeschoven. Uit de verwijzing naar de vergoeding voor de 'pendelaars' volgt dat Vlaanderen het grootste deel zal moeten bijdragen (*).

Dit 'compromis' bevat vijf toegevingen van de Vlamingen (*) en geen enkele gegarandeerde toegeving van de Franstaligen.

Conclusie inzake de voorgestelde splitsing van BHV

Van een splitsing van BHV is hier helemaal geen sprake. De Zes worden nagenoeg volledig uit BHV (en gedeeltelijk uit Vlaanderen) gelicht, met het oog op substantieel voordeel en geen enkel nadeel voor de Franstaligen. De Vlamingen verwerven hierbij geen enkel voordeel. Voor de Franstaligen uit 'HV zonder de Zes' is het enige nadeel dat ze niet meer rechtstreeks voor Brusselse lijsten kunnen kiezen. Dat heeft ook een belangrijk nadeel voor de Vlamingen tot gevolg: de kans dat ze in Brussel geen zetel meer halen. Maar dat was de toegeving die de Vlamingen oorspronkelijk voor het compromis over hadden. Alle andere toegevingen zijn er later aan toegevoegd, en vormen nu het voorwerp van onderhandelingen.

Wat betreft de rechtsbedeling behouden de Franstaligen van HV hun volledige rechten. Het belangrijkste aspect waarvoor de splitsing van het gerechtelijk arrondissement voor Vlaanderen zin had, was precies het verdwijnen van die voorkeursbehandeling, die de Vlamingen in Wallonië trouwens evenmin genieten.

Het doel van de splitsing van BHV bestond erin, wettelijk vast te leggen dat het Vlaamse territorium ook volwaardig Vlaams is, en dat de Franstaligen zich in alle opzichten moeten inburgeren, precies zoals de Vlamingen in Wallonië en ook mensen van allochtone afkomst dat in heel België; moeten doen. Zolang Franstaligen deze supplementaire zogenaamd "Belgische" rechten hebben, leidt dit onvermijdelijk tot de verdere expansie van de francofonie en dan is de zogenaamde 'splitsing' van BHV niet alleen een zinloze, maar ook voor Vlaanderen nefaste onderneming. Het is onbegrijpelijk dat er Vlaamse partijen zijn die niet beseffen dat het eindresultaat hiervan op termijn niet de splitsing van BHV, maar de verfransing van Halle-Vilvoorde is.

In al deze voorstellen kunnen we met de beste wil van de wereld slechts één nadeel voor de Franstaligen ontdekken, namelijk het verlies van het rechtstreeks stemrecht voor Brussels-Francofone lijsten (**), niet in Halle-Vilvoorde, maar alleen in 'HV min de Zes'. Daarnaast zijn er minstens 23 tot 26 voorstellen nadelig voor de Vlamingen (*). Sommige daarvan, zoals de voorstellen inzake Brussel, vormen een afbouw van essentiële wettelijke verworvenheden die, onder meer via een uitbreiding van de tweetaligheid, een bijdrage konden leveren voor het voorbestaan van dit land als federatie of als confederatie. Twee andere voor de Vlamingen nadelige voorstellen, de federale kieskring* en de goedkeuring van het minderhedenverdrag*, bespreken we hieronder. Het gaat dus inderdaad niet om een "naakte" splitsing. Het gaat om een ongehoorde wanverhouding. Van het boven vermelde evenwichtsprincipe is overduidelijk geen sprake meer. Evenmin is er hier sprake van gelijkwaardige partijen. Deze wanverhouding hebben we te danken aan de opeenvolgende compromitteringen van bestaande compromissen in de nota's van De Wever, Vande Lanotte, Beke en Di Rupo.

Het onveranderd laten van de huidige situatie inzake BHV is dan ook mateloos veel gunstiger voor Vlaanderen dan het voorstel Di Rupo. BHV kan met een eenvoudige parlementaire meerderheid gesplitst worden. De Vlaamse onderhandelaars zouden deze gesprekken dus beter afbreken en rustig afwachten tot de Franstaligen iets voor Brussel of Wallonië nodig hebben.

Extra oplopende kosten: Federale Kieskring* en Minderhedenverdrag* (voorgesteld in de formateursnota van Di Rupo)

Federale Kieskring

In een ideale federale staat kan een dergelijke kieskring voordelen bieden - ofschoon er op de hele wereld nauwelijks voorbeelden van te vinden zijn. In de Belgische situatie echter lijkt zo'n constructie om diverse redenen onhaalbaar. Waarom niet?

Deze kieskring gaat in tegen het territorialiteitsbeginsel omdat men voor een aantal parlementairen (waarom tien en bijvoorbeeld niet de helft of twee derden?) doet alsof de territoria niet bestaan.

Men doet alsof het land niet gescheiden is in twee (drie) totaal uiteenlopende openbare opinies: dat is het licht van de zon loochenen;

Daaruit volgt dat slechts een miniem aantal politici van de ene gemeenschap bekend zijn bij de andere. In Francofonië kent men als Vlamingen van de oude generatie Decroo en Dehaene, Verhofstadt en Van Rompuy; van de nieuwere Leterme, De Wever, en Vande Lanotte. Omgekeerd kent men in Vlaanderen Di Rupo, Milquet, Reynders, Michel en Maingain. Dat betekent dat de verkiezingen nog meer gepersonaliseerd worden en dat de nadruk op partijprogramma's nog verder afzwakt;

Als formule om de institutionele problemen 'constructiever' (lees: met een grotere compromisbereidheid) aan te pakken, belooft deze techniek weinig goeds. Zullen de Vlamingen die stemmen willen halen in Wallonië in plaats van 23 toegevingen tegen één, er nog enkele aan toevoegen? Wij zien niet in welke; tenzij men terug wil gaan tot la Belgique à papa;

Uit voorgaande volgt ook dat de redacties van de tv-omroepen een beslissende rol kunnen spelen in de uitslag van die verkiezingen omdat in essentie alleen de personen die ze op de tv uitnodigen een bekendheid kunnen verwerven in de andere gemeenschap;

Er zijn vermoedelijk maar twee personen die voordeel kunnen halen uit dit systeem: ten eerste Maingain, die dan opnieuw zijn francofone aanhang in Vlaanderen kan mobiliseren; en ten tweede Bart De Wever, als die handig kan inspelen op zijn meer 'rechtse' thema's (zoals verdediging van de middenklasse en een strenge aanpak van de asielproblematiek). Kortom, alles laat vermoeden dat deze formule niet of nauwelijks zal bijdragen tot de pacificatie waarvoor ze volgens haar verdedigers bedoeld is.

Het aantal stemmen dat de topfiguren in de andere landsdelen zullen krijgen, zal te verwaarlozen zijn tegenover die in het eigen gebied. Zal men het riskeren een groot deel van de eigen achterban te verliezen om een klein deeltje aan de overkant te winnen?

Door het aantal zetels dat aan Nederlandstalige, resp. Franstalige kandidaten zal worden toegekend (voorstel is: 6 NL, 4 F) bij voorbaat vast te leggen, doet het voorstel eigenlijk zijn eigen bedoeling teniet: standpunten pro of contra meer 'Belgische eenheid' kunnen slechts een uiterst beperkt electoraal effect hebben. En voor betekenisvolle verschuivingen (via een niet-vooraf bepaalde zetelverdeling) schrikt men blijkbaar terug. In combinatie met voorgaande bedenking is het dan ook zeer de vraag of deze formule een nieuwe 'Belgische' politieke klasse zal doen ontstaan.

Kortom, het gaat, ook volgens het oordeel van prominente politici met ervaring, om een vrij irrelevant experiment. Er bestaat daarvoor ook geen enkel model in het buitenland, omdat de twee totaal verschillende openbare opinies nergens een equivalent hebben.

Minderhedenverdrag


De goedkeuring van het zogenaamde Minderhedenverdrag, zonder een amendering die een onderscheid maakt tussen authentieke historische minderheden, en minderheden door inwijking, kan aan Franstaligen over heel Vlaanderen rechten verlenen die het eentalig karakter van Vlaanderen aantasten en dus een wezenlijk aspect van de Vlaamse emancipatie ongedaan maken. Dit is meer dan een regelrechte provocatie. Het is niet meer of minder dan een maneuver om de Franstaligen toe te laten een schijnbaar grote, maar in werkelijkheid schijn-toegeving te doen. Het maneuver is echter zó doorzichtig dat het haast bespottelijk wordt; de Vlaamse onderhandelaars hebben dan ook alle reden om zich beledigd te voelen omdat men hen zo grenzeloos naïef of onwetend acht.

Men zou zich inderdaad vrolijk kunnen maken over het feit dat in de Nederlandse versie van de Nota-di Rupo het ratificeren van dit verdrag 'nuttig' wordt genoemd, maar in de Franse versie 'noodzakelijk'. Of over het feit dat Frankrijk - lichtend voorbeeld toch voor vele Franstalige Belgen - dat verdrag nog niet eens heeft goedgekeurd, laat staan geratificeerd.

In alle ernst gaat het hier evenwel om een kwestie waarin het overleven van België op het spel staat. Niet zonder reden verklaarde België, toen het dit verdrag in juli 2001 ondertekende, dat de toepassing geen afbreuk mocht doen aan de grondwettelijke bepalingen die momenteel het taalgebruik in het koninkrijk regelen. Een ongenuanceerde toepassing zou immers de grondslagen zelf van het Belgische communautaire samenlevingsmodel opblazen, en allerlei moeizaam verworven evenwichten - en daarmee wellicht het land zelf - van de kaart vegen. Dat is een van de redenen waarom België dit verdrag tot dusver wel ondertekend, maar nog niet geratificeerd heeft. De andere reden is dat die ratificatie ook moet gebeuren door de gewesten en gemeenschappen, terwijl de Vlaamse regering al meer dan eens heeft verklaard dat van een ratificatie zo geen sprake kan zijn.

De hele Belgische politieke klasse wéét dat ratificatie dus hoegenaamd niet aan de orde is; ze te berde brengen is niet meer dan een doorzichtig manoeuver. Dat allicht gemakkelijk doorprikt kan worden, wanneer de Vlaamse onderhandelaars aan hun tegenspelers zouden voorstellen elke discussie over het minderhedenverdrag uit te stellen tot het door Frankrijk is goedgekeurd...



De Gravensteengroep (in omgekeerde alfabetische volgorde): Etienne Vermeersch, Jan Verheyen, Frans-Jos Verdoodt, Piet van Eeckhaut, Jan Van Duppen, Luc Van Doorslaer, Jef Turf, Johan Swinnen, Hugo Stevens, Jean-Pierre Rondas, Yves Panneels, Nelly Maes, Bart Maddens, Karel Gacoms, Paul Ghijsels, Pierre Darge, Paul De Ridder, Dirk Denoyelle, Eric Defoort, Jo Decaluwe, Willy Courteaux, Edi Clijsters, Jan Bosmans, Tinneke Beeckman, Ludo Abicht.

Woordvoerders voor deze tekst zijn Etienne Vermeersch en Jean-Pierre Rondas (0477-65 65 12).

Comments

0 Responses to "Het Achtste Manifest Gravensteengroep"

Een reactie posten

Karel Uyttersprot (soms) On Twitter

Goeie Vlaamse Twitteraars

De verandering begint in Denderbelle - Lebbeke - Wieze

 

DENKEN–DURVEN–DOEN




Dagelijks worden wij geconfronteerd met de problemen en zorgen van ondernemers, medewerkers, werkzoekenden, ... Dit zette mij aan het denken.

In plaats van langs de zijlijn te blijven staan, heb ik een boeiende job opzij gezet om via de politiek mee te timmeren aan een beleid van durven.

Als oplossing om uit de puinhoop te geraken, ben ik van oordeel dat een grondige staatshervorming dringend nodig is om zo de problemen, zoals een drastische hervorming van justitie, werkgelegenheid en jobs, echt betaalbare pensioenen, veiligheid en ondernemerschap, ... aan te pakken.
Dit wil ik doen.

Berichtenarchief